Door fiscale regels wordt beleggen steeds meer een kinderspel. Is het voordeliger om aandelen aan te houden in box 2, of toch maar box 3? De voor- en nadelen gewogen.
Kasstromen, waardering en risico zijn de vaste factoren die beleggers in acht nemen bij de keuze voor hun investeringen. Fiscale zaken spelen steeds nadrukkelijker een rol. Particuliere beleggers in privé worden belast op basis van een fictief rendement, behalve wanneer het werkelijke resultaat lager is. Bij verlies bestaat geen recht op belastingverrekening. Beleggen via een bv levert meer mogelijkheden op dat gebied, maar betekent dit ook dat deze manier dus voordeliger is? We zetten de mogelijkheden op een rij.
Beleggen in privé
Wie in privé vermogen aanhoudt, wordt belast in box 3. Daarbij gelden momenteel twee systemen naast elkaar, die beide per 1 januari 2028 worden vervangen door één nieuw stelsel. Voor de middellange termijn moet daarom rekening worden gehouden met drie verschillende regimes, elk met eigen regels. Daarnaast zijn sinds 2025 zowel de algemene heffingskorting als de ouderenkorting mede afhankelijk van het inkomen in box 3.
Fictief rendement (2025–2027)
Tot en met 2027 geldt in beginsel het oude box 3-stelsel, waarin de Belastingdienst uitgaat van een fictief rendement. Het vermogen wordt daarbij verdeeld over drie categorieën, elk met een eigen rendementspercentage.
Bank- en spaartegoeden kennen over 2024 een fictief rendement van 1,44 procent. Het percentage voor 2025 wordt pas in februari 2026 vastgesteld, maar er wordt voorlopig gerekend met 1,44 procent; het percentage voor 2026 wordt in februari 2027 vastgesteld. Voor overige vermogensbestanddelen, zoals beleggingen en onroerend goed, geldt een fictief rendement van 5,88 procent in 2025, oplopend tot 6 procent in 2026. Schulden kennen een negatief fictief rendement; over 2024 bedraagt dit 2,61 procent, terwijl de percentages voor latere jaren nog niet bekend zijn. Voor 2025 wordt voorlopig gerekend met 2,62 procent.
Deze rendementen worden berekend over de waarde van het vermogen op 1 januari van het belastingjaar. Daarop wordt het heffingsvrije vermogen in mindering gebracht, dat 57.684 euro bedraagt in 2025 en 59.357 euro in 2026. Voor fiscale partners gelden dubbele bedragen. Over het resterende fictieve rendement wordt 36 procent belasting geheven.
Werkelijk rendement (2025–2027)
Voor de jaren 2025, 2026 en 2027 bestaat de mogelijkheid om te kiezen voor belastingheffing over het werkelijke rendement, mits dat lager is dan het fictieve rendement. Daarvoor gelden strikte voorwaarden. Onder omstandigheden geldt deze mogelijkheid ook voor de jaren 2017 tot en met 2024.
Het werkelijke rendement bestaat uit inkomsten en vermogensgroei. Tot de inkomsten behoren onder meer rente, dividend en ontvangen huur. Daarnaast wordt ook waardestijging van bezittingen tot het rendement gerekend, ongeacht of deze al is gerealiseerd. Dat geldt voor effecten, maar ook voor onroerend goed in box 3, met uitzondering van de eigen woning. Ook valutaresultaten tellen mee. Waardedalingen vormen negatief rendement.
Voor vakantiewoningen en andere leegstaande woningen in box 3 geldt in 2026 en 2027 een aanvullende bijtelling van 5,06 procent van de waarde, berekend over de dagen dat de woning niet wordt verhuurd. Eigen gebruik tijdens deze leegstand is daarbij niet relevant. Voor 2025 is deze bijtelling nog nihil.
Kosten zijn niet aftrekbaar. Het totale werkelijke rendement kan niet lager uitkomen dan nul; verliezen kunnen dus niet worden verrekend met positieve resultaten uit andere jaren. Ook geldt er bij het werkelijke rendement geen heffingsvrij vermogen. Over het vastgestelde rendement wordt eveneens 36 procent belasting geheven, maar uitsluitend wanneer dit lager is dan het fictieve rendement.
Werkelijk rendement vanaf 2028
Vanaf 2028 zal naar verwachting een nieuw box 3-stelsel van kracht worden, waarin uitsluitend het werkelijke rendement wordt belast. Hoewel dit nog enkele jaren weg lijkt, kan het vooruitzicht nu al relevant zijn bij de keuze tussen beleggen in privé of via een bv.
In grote lijnen sluiten de regels aan bij die van de overgangsjaren, maar er zijn belangrijke verschillen. Voor onroerend goed wordt de waardeontwikkeling niet langer jaarlijks belast; in plaats daarvan telt het gerealiseerde resultaat bij verkoop. Daarnaast geldt een vastgoedbijtelling voor eigen gebruik en leegstand, die afhankelijk is van de mate van verhuur. Bij verhuur van 90 procent of meer zijn de huurinkomsten belast en de kosten aftrekbaar. Bij leegstand geldt een bijtelling van 3,35 procent van de waarde, waarbij kosten wel aftrekbaar zijn. Bij gemengd gebruik geldt de hoogste van beide regimes.
Voor overige vermogensbestanddelen blijft zowel gerealiseerde als ongerealiseerde waardeaangroei belast. Rente op schulden wordt aftrekbaar. In plaats van een heffingsvrij vermogen geldt een heffingsvrij inkomen van 1.800 euro, voor fiscale partners het dubbele. Anders dan in de overgangsjaren kan het rendement negatief zijn; een verlies kan dan worden verrekend met positieve resultaten in latere jaren.
Beleggen in de bv
Bij beleggen via een bv spelen twee belastingen een rol: de vennootschapsbelasting over het resultaat binnen de bv en een belasting over aanmerkelijk belang voor bedragen die naar privé worden overgemaakt. Is het rendement in privé nodig, dan komt daar nog de aanmerkelijk belang heffing overheen.
De vennootschapsbelasting geldt voor alle winsten die een bv behaalt. Bij de winstbepaling geldt echter het principe van goed koopmansgebruik. Dat betekent dat niet-gerealiseerde resultaten niet direct in de winst hoeven te worden opgenomen. Beleggingen mogen worden gewaardeerd tegen kostprijs of lagere marktwaarde, waardoor belastingheffing pas plaatsvindt wanneer een resultaat daadwerkelijk wordt gerealiseerd.
Concreet betekent dit dat koersstijgingen van bijvoorbeeld aandelen niet direct belast zijn. De heffing wordt uitgesteld tot het moment waarop de aandelen daadwerkelijk worden verkocht. Hetzelfde geldt voor onroerend goed: waardestijgingen leiden pas tot belastingheffing bij verkoop. Dit uitstel van belasting is een belangrijk voordeel van beleggen via de bv.
Daarnaast zijn binnen de bv alle kosten die verband houden met het beleggen aftrekbaar, wat de fiscale efficiëntie verder vergroot. Het tarief van de vennootschapsbelasting bedraagt 19 procent over de eerste 200.000 euro winst. Over het meerdere geldt een tarief van 25,8 procent. Over de uiteindelijke winst moet bij uitkering nog box 2-belasting worden betaald, variërend van 24,5 procent bij lagere inkomens tot 31 procent vanaf circa 70.000 euro (voor alleenstaanden).
De vergelijking
Bij een effectenportefeuille met een hoog rendement en flinke koersschommelingen pakt het fictieve rendement in box 3 niet per definitie ongunstig uit. Zelfs met het verhoogde fictieve rendement van 6 procent in 2026 kan de belastingdruk relatief beperkt blijven. Dat wordt duidelijk aan de hand van een gestileerd voorbeeld.
Voorbeeld 1: box 3 met fictief rendement (2026)
Bij een portefeuille met een waarde van 1.000.000 euro op 1 januari 2026, een jaarlijks dividend van 2 procent (20.000 euro) en een waardestijging van 9 procent (90.000 euro), bedraagt het fictieve rendement 6 procent (van 1.000.000, waarde op 1 januari), oftewel 60.000 euro. Daarover wordt 36 procent belasting geheven, wat neerkomt op 21.600 euro. Dat maakt het resultaat 88.400 euro (110.000-21.600).
Omdat het werkelijke rendement hoger ligt dan het fictieve rendement, komt belastingheffing op basis van het werkelijke rendement in dit geval niet in beeld.
Vanaf 2028 verandert dat. Dan verdwijnt het fictieve rendement en wordt uitsluitend het werkelijke rendement belast. Dat bestaat niet alleen uit ontvangen inkomsten, zoals dividend, maar ook uit waardestijgingen en verkoopwinsten, met enkele uitzonderingen, waaronder waardestijgingen van onroerend goed en investeringen in startende ondernemingen.
Voorbeeld 2: box 3 met werkelijk rendement (2028)
Uitgaande van een portefeuille die op 1 januari 2028 1.000.000 euro waard is en op 31 december 1.090.000 euro, met daarnaast 20.000 euro aan ontvangen dividend, bedraagt het werkelijke rendement 110.000 euro. Daarover wordt 36 procent belasting geheven, wat resulteert in een belastingbedrag van 39.600 euro. Het nettoresultaat na belasting komt daarmee uit op 70.400 euro.
Opvallend is dat in dit scenario meer belasting wordt betaald dan het directe inkomensrendement uit dividend.
Binnen de bv worden gerealiseerde winsten belast en verliezen in aftrek toegelaten. Niet-gerealiseerde koerswinsten mogen worden uitgesteld totdat zij daadwerkelijk worden gerealiseerd. Niet-gerealiseerde verliezen mogen juist wel direct worden genomen, mits wordt gewaardeerd tegen kostprijs of lagere marktwaarde. Bij een latere waardestijging moet een eerder genomen afwaardering weer worden teruggedraaid.
Voorbeeld 3: ongerealiseerde koerswinst
Stel dat een bv 100 aandelen koopt voor 100.000 euro. Aan het einde van het jaar zijn deze aandelen 110.000 euro waard. Hoewel sprake is van een ongerealiseerde winst van 10.000 euro, hoeft deze winst nog niet in de heffing te worden betrokken. De aandelen mogen op de balans blijven staan tegen kostprijs. In het daaropvolgende jaar worden de aandelen verkocht voor 115.000 euro. De gerealiseerde winst bedraagt dan 15.000 euro, waarover vennootschapsbelasting wordt geheven.
Voorbeeld 4: ongerealiseerd koersverlies
In een omgekeerde situatie koopt de bv 100 aandelen voor 100.000 euro, terwijl de waarde aan het einde van het jaar is gedaald naar 90.000 euro. Het ongerealiseerde verlies van 10.000 euro mag direct ten laste van het resultaat worden gebracht door de aandelen af te waarderen. In het daaropvolgende jaar stijgt de waarde naar 105.000 euro. Het eerder genomen verlies moet dan worden teruggenomen tot de oorspronkelijke kostprijs van 100.000 euro. De aanvullende waardestijging van 5.000 euro blijft onbelast zolang de aandelen niet worden verkocht.
De uiteindelijke winst van de bv wordt belast met vennootschapsbelasting: 19 procent over de eerste 200.000 euro winst en 25,8 procent over het meerdere. Verliezen kunnen worden verrekend met winsten uit het voorafgaande jaar en met toekomstige winsten, waarbij voor verliezen boven 1.000.000 euro een beperking geldt tot 50 procent verrekening per jaar.
De keuze in cijfers
Puur cijfermatig laat voorbeeld 2 zien dat bij een portefeuille van 1.000.000 euro, met 20.000 euro dividend en 90.000 euro waardestijging, in box 3 39.600 euro belasting verschuldigd is. Het nettoresultaat bedraagt dan 70.400 euro.
Wordt dezelfde portefeuille in een bv aangehouden, dan ontstaat een ander beeld. Voor een zuivere vergelijking wordt aangenomen dat de volledige winst direct wordt belast en vervolgens volledig als dividend wordt uitgekeerd. Over het resultaat van 110.000 euro wordt 19 procent vennootschapsbelasting geheven, waardoor 89.100 euro in de bv resteert. Bij uitkering volgt nog box 2-heffing tegen deels 24,5 procent en deels 31 procent. Netto blijft in privé 65.954 euro over (op basis van de schijfgrenzen voor 2026).
In dit voorbeeld blijkt beleggen in box 3 gunstiger uit te pakken dan beleggen via de bv, zelfs afgezien van het heffingsvrije inkomen. Deze uitkomst hangt echter samen met de gehanteerde uitgangssituatie. Indien sprake is van beleggingsverliezen, komen de voordelen van box 2 sterker naar voren. Beleggen in box 2 is met name aantrekkelijk wanneer de beleggingen en opbrengsten binnen de bv kunnen worden aangehouden, omdat met een hoger bedrag na belasting door kan worden belegd. Op het moment van uitkering doet de box 2-heffing dit voordeel echter teniet.
Switchen
Bij beleggen via een bv is het ook van belang te kijken naar de manier waarop vermogen de bv in- en uitgaat. Zowel het overhevelen van bestaande beleggingen naar de bv als het later weer beschikbaar maken van middelen in privé heeft fiscale gevolgen.
Vermogen inbrengen in de bv
Wanneer iemand een effectenportefeuille in privé bezit en besluit voortaan via de bv te beleggen, zijn er verschillende manieren om die portefeuille over te hevelen.
Een eerste mogelijkheid is verkoop van de portefeuille aan de bv, mits de bv over voldoende liquide middelen beschikt. De beleggingen gaan dan juridisch over naar de bv en de aandeelhouder ontvangt privé cash. De bv neemt de beleggingen op haar balans en wordt belast volgens de regels van de vennootschapsbelasting.
Een alternatief is het storten van agio, een informele kapitaalstorting. In dat geval wordt de portefeuille ingebracht zonder dat daar privé cash tegenover staat. De waarde van de beleggingen verhoogt het eigen vermogen van de bv. Hierbij is geen notariële tussenkomst vereist, maar wel een aandeelhoudersbesluit waarin de agiostorting wordt vastgelegd. Boekhoudkundig wordt de waarde aan het agio toegevoegd.
Een derde optie is het lenen van geld aan de bv ter financiering van de overname van de portefeuille. Daarbij is de terbeschikkingstellingsregeling van toepassing. Het uitgeleende bedrag valt dan voor de belasting in box 1. De aandeelhouder moet een zakelijke rente ontvangen, die progressief wordt belast. Voor de bv is deze rente aftrekbaar. Is de rente niet zakelijk, dan wordt deze fiscaal gecorrigeerd.
Vermogen onttrekken aan de bv
Ook het onttrekken van middelen uit de bv heeft fiscale consequenties. De meest voor de hand liggende route is een dividenduitkering. Daarover is in privé box 2-belasting verschuldigd, van 24,5 tot 31 procent. De bv houdt 15 procent dividendbelasting in; het restant wordt afgerekend via de aangifte inkomstenbelasting. Sinds 2025 telt inkomen uit aanmerkelijk belang bovendien mee voor de afbouw van de algemene heffingskorting en de ouderenkorting.
Wie eerder agio heeft gestort, kan dit onder voorwaarden onbelast terugontvangen. Daarvoor moet het agio eerst worden omgezet in aandelenkapitaal en vervolgens via een notariële akte worden verminderd. Wordt deze procedure niet gevolgd, dan geldt de terugbetaling als een belast dividend.
Ten slotte kan geld worden geleend van de bv. Tot een schuld van 500.000 euro is dat fiscaal toegestaan, mits een zakelijke rente wordt betaald. Overschrijdt de schuld dit bedrag, dan wordt het meerdere aangemerkt als dividend en belast in box 2. 
| VEB-lidmaatschap |
|---|
| Nog geen VEB-account? |
| Voor toegang tot de volledige website dient u een VEB-lidmaatschap aan te houden en in te loggen. Indien u lid bent, maar nog geen account heeft kunt u ook klikken op ‘inloggen’ en daarna een account aanmaken. |
|
|
| Meer infomatie over het VEB -lidmaatschap |